
Een nestkast voor koolmezen hang je het beste op een rustige plek op het noorden, oosten of westen, op een hoogte van ongeveer 1,5 tot 3 meter. Dat zijn de plekken waar koolmezen zich veilig voelen en de kast ook echt gebruiken. Hieronder lees je precies waar je op moet letten bij het kiezen van de juiste plek.
Welke richting werkt het best voor een nestkast koolmees?
Hang de kast niet op het zuiden. In de volle zon wordt het binnenin de nestkast veel te heet, wat slecht is voor de eieren en de jonge vogels. Noord, oost of noordoost zijn de beste richtingen. Een oosterlijke richting is ideaal: de kast vangt ’s ochtends wat zachte zon, maar blijft de rest van de dag schaduwrijk en koel.
Heb je weinig keuze in richting, zorg dan in elk geval dat de opening niet direct naar de meest zonbeschenen kant wijst. Een dakrand of een overhangende tak die schaduw geeft, kan dan ook helpen.
Op welke hoogte hang je een nestkast voor koolmezen?
Koolmezen nestelen graag op een hoogte van 1,5 tot 3 meter. Lager dan anderhalve meter is de kast te makkelijk bereikbaar voor katten en andere roofdieren. Hoger dan 3 meter mag ook, maar dan is de kast moeilijker schoon te maken, wat je elk najaar het beste wel doet. Een hoogte van zo’n 2 meter is voor de meeste tuinen praktisch en veilig.
Rustige plek, weg van drukte
Koolmezen kiezen alleen een nestkast als ze zich veilig voelen bij de ingang. Hang de kast daarom niet pal naast een drukke zitplek, een terrasdeur of een plek waar regelmatig mensen of huisdieren langskomen. Een stille hoek van de tuin, aan een boom of een schuur, werkt veel beter dan de voorgevel aan de straatkant.
Zorg ook dat er in de buurt geen takken of planken zijn waarop katten makkelijk kunnen klimmen tot vlak bij de invliegopening. Een nestkasthouder met een gladde paal maakt het voor katten een stuk lastiger om erbij te komen.
Boom, muur of paal: wat is het beste ophangpunt?
Een boom is de meest natuurlijke plek. Hang de kast zo dat hij licht scheef naar voren hangt (de bovenkant iets van de stam af), zodat regenwater niet naar binnen loopt. Een muur of schuur werkt ook prima, zolang de richting klopt en de plek rustig is. Een vrijstaande paal in de tuin is een goede optie als je geen geschikte boom of muur hebt, en geeft je de meeste vrijheid in richting en hoogte.
Vermijd plekken direct naast een drukke voederplaats. Vogelvoer trekt veel soorten aan, en die drukte schrikt broedende koolmezen juist af.
Wanneer hang je de nestkast op?
Het beste moment is het najaar of de vroege winter, ruim voor het broedseizoen dat rond maart begint. Koolmezen verkennen potentiële nestlocaties al vroeg en zijn eerder geneigd een kast te gebruiken die er al een tijdje hangt. Een kast die je in februari pas ophangt, kan het net halen, maar eerder ophangen geeft duidelijk meer kans op succes.
Kies de plek dus zorgvuldig: rustig, op de juiste hoogte, niet op het zuiden en beschermd tegen roofdieren. Dan geef je de koolmees de beste kans om er ook echt in te gaan broeden.
