
Een nestkast voor een merel is open van voren, groot van formaat en staat het liefst laag in beschutte begroeiing. Anders dan mezen nestelt de merel niet in een nestkast met een gat, maar in een halfopen of volledig open kast. Dat maakt de keuze voor het juiste type kast de belangrijkste stap.
Welk type nestkast past bij een merel?
Merels nestelen van nature in struiken, heggen en dichte begroeiing. Ze bouwen een open napvormig nest van gras, modder en plantmateriaal. Een gewone gatkast, zoals je die voor koolmezen gebruikt, werkt niet. Voor een merel heb je een halfopen kast nodig: een kast zonder voordeur, met hooguit een lage rand aan de voorkant van enkele centimeters om het nest op zijn plek te houden.
De afmetingen die goed werken voor een merel zijn een bodem van minstens 15 bij 15 centimeter, bij voorkeur 20 bij 20 centimeter. De achterwand en zijwanden zijn 15 tot 20 centimeter hoog. De voorkant blijft volledig of grotendeels open. Een afdak of overhangende rand aan de bovenkant beschermt het nest tegen regen. Gebruik onbehandeld hout, bij voorkeur robuust en minstens 18 millimeter dik, zodat de kast temperatuurschommelingen goed opvangt.
Waar hang of bevestig je de nestkast voor een merel?
Merels nestelen laag. In tegenstelling tot veel andere vogels die hoog in bomen zitten, plaatst de merel zijn nest liefst tussen de 1 en 2,5 meter boven de grond. Hang de kast in een dichte struik, tegen een muur achter klimop of braamstruiken, of in een kleine boom met voldoende bladerdek. De kast moet goed verborgen zijn, want merels zijn schuw en mijden plekken waar ze van alle kanten zichtbaar zijn.
Richt de opening bij voorkeur naar het noorden, noordoosten of oosten. Zo voorkom je dat de zon de kast de hele dag opwarmt, wat gevaarlijk kan zijn voor jonge vogels. Zorg ook dat de plek droog is en dat regenwater niet naar binnen waait. Een lichte schuine stand met de achterkant iets hoger dan de voorkant helpt bij de waterafvoer.
Eén bekende ervaring van een vogelliefhebber illustreert hoe aanpasbaar merels zijn: een nestkast met een plat dak werd door merels niet ín de kast maar er bovenop gebruikt. Dit laat zien dat merels ook alternatieve plekken benutten als die veilig en stabiel genoeg zijn, maar het is geen doel op zich. Een goed ontworpen halfopen kast op de juiste plek geeft meer kans op gebruik binnen de kast zelf.
Wanneer de nestkast ophangen?
Hang de kast zo vroeg mogelijk op, het liefst in de winter of uiterlijk begin februari. Merels beginnen vroeg in het jaar met broeden, soms al in maart. Als de kast al weken op zijn plek hangt en de omgeving vertrouwd aanvoelt, is de kans groter dat een merel hem accepteert. Een kast die je in april ophangt als de merel al aan het broeden is, wordt dat seizoen waarschijnlijk niet meer gebruikt.
Hoe trek je een merel naar de nestkast?
De kast zelf is pas de helft van het werk. Merels worden aangetrokken door een tuin met voldoende voedsel en dekking. Houd een stukje grond open en vochtig, zodat ze regenwormen kunnen zoeken. Beplant de tuin met inheemse struiken zoals meidoorn, vlier of braam. Vermijd het gebruik van pesticiden, want die verminderen het insectenaanbod waarvan merels mede afhankelijk zijn.
Leg materialen voor neselbouw neer in de buurt van de kast: droge grasstengels, dode bladeren en zachte mos. Merels verankeren hun nest met modder, dus een klein stukje vochtige grond vlakbij de kast is een extra plus. Verstoor de omgeving zo min mogelijk, zeker als je merkt dat een merel de kast verkent.
Een nestkast voor een merel plaatsen vraagt om geduld. Merels zijn kieskeurig en vertrouwen een nieuwe plek pas na enige tijd. Heb je de kast goed opgehangen, de omgeving aantrekkelijk gemaakt en laat je de vogels met rust, dan is de kans reëel dat er al het eerste seizoen een nest verschijnt.
